Gezondheidscentrum.jpg

Voor het aanbieden van taal is het belangrijk dat U uw taal aanpast aan de luisteraar/het kind. Een kind van bijna 2 jaar kan nog niet in een volledige zin spreken, U kunt wel in 2 á 3 woords zinnen spreken. Hierdoor wordt het kind uitgedaagd om ook 2 á 3 woords zinnen te gaan gebruiken. Hierna kunt U weer een stapje verder gaan door 4 á 5 woords zinnen aan te bieden. Een kind, met een taalachterstand, lijkt veel te begrijpen, maar ze begrijpen de aangeboden taal niet volledig. Ze halen de kernwoorden uit de zin, maar begrijpen niet de structuur van de zin. Deze kinderen wachten vaak even af en kijken dan of de ouder de zin nog eens herhaalt. Deze herhaling van de ouder wordt regelmatig (onbewust) ondersteund met een gebaar/blik/wijzen, hierdoor weet het kind sneller/beter wat er bedoeld wordt. Het kind lijkt hierdoor “oost-indisch” doof, omdat het de opdracht de eerste keer niet uitvoert. Het ondersteunende gebaar/blik/wijzen maakt het net iets duidelijker voor het kind, waardoor hij de opdracht alsnog kan uitvoeren.

Wanneer U de taal zo optimaal mogelijk wilt stimuleren, is het goed als U aansluit bij de beleving van het kind en samen dingen doet en verwoordt. Samen spelen, samen boekjes lezen/bekijken. Een kind hoeft niet altijd alles na te zeggen, het is geen papegaai. Nazeggen is geen communicatie. Eerst moet alle informatie binnenkomen, voordat het er uitkomt. Dat proces heeft wat tijd nodig.

Wanneer U twijfelt of Uw kind voldoende taal gebruikt en of begrijpt, kunt U altijd bij uw huisarts een éénmalig logopedisch onderzoek aanvragen. Wanneer er sprake is van een taalachterstand, is het belangrijk dat er zo snel mogelijk met therapie wordt begonnen.

Voor meer adviezen en informatie kunt U ook kijken op www.kindentaal.nl